Plaatjes van de os (7t/m10)

In de introductiecursus bespreken we de plaatjes van de os. Na de eerste zes osseplaatjes vorige week, nu de laatste vier.

Op de laatste 4 plaatjes van de os staat geen os. Na het terugvinden van de os leek alles klaar. Niets meer in de weg. Maar na het vinden van je ‘ware’ natuur, is dat niet meer iets om naar te zoeken, om te vangen, te temmen of van te genieten. Je hoeft het niet nog langer vast te houden.

De herder hoeft niet verder, is thuis: het is genoeg. Of lijkt genoeg. Want nu is het heel subtiel ‘een heilig knus thuis’ waar de herder (aan) kan blijven plakken. Zo lijkt er nog een tegenstelling tussen vroeger en nu, tussen zoeken en aangekomen zijn. Plaatje 8 lijkt dan dus ‘af’. Alle tegenstellingen zijn opgeheven. Een cirkel en de wijde hemel. Dit hier is niet onder woorden te brengen, in beelden uit te drukken.Dit ‘plaatje’ was in eerdere osseplaatjes-reeksen ook wel de laatste, maar Shiyuan heeft er nog twee bij getekend.

Plaatje 9: De herder is weg, de os is weg, er is niets-doen, maar een hele wereld. Uit ‘zichzelf’ vult het niks het vorige plaatje aan: Beweging en ‘dingen’ hebben ook een plekje in de cirkel. En eigenlijk zaten alle vorige plaatjes al in die cirkel. En met die beweging komt de zenpersoon ook in beweging. In plaatje 10 gaat het om de vrijheid om dingen te doen en te zijn. Aan de slag. Vrij in alles, om af te wijken of mee te doen. Vrij om de hele wereld te delen.

De os vergeten, de herder alleen

Reeds is de herder thuisgekomen op de rug van de os.
Er bestaat geen os meer. De herder zit alleen, op zijn gemak en stil.
Rustig sluimert hij nog wat, want de rood brandende zon staat immers reeds hoog aan de hemel.
De nutteloze zweep en teugel heeft hij weggeworpen onder het dak van stro.

Er bestaan geen twee Dharma’s. Slechts tijdelijk is de os als wegwijzer gebruikt. Hij lijkt op een val, waarin de haas, of op een net, waarin de vis gevangen wordt. Nu is het de herder zo te moede als wanneer er glanzend goud uit de aarde opgedolven zou worden, of de maan, zich uit de wolken losmakend, tevoorschijn zou komen. Er schijnt dat ene koele licht van voor het begin van de wereld.

Os én herder volkomen vergeten

Zweep en teugel, os en herder zijn volkomen verdwenen.
Woorden schieten tekort om de uitgestrekte blauwe hemel te omspannen.
Sneeuw kan toch ook niet blijven bestaan op een rood brandend haardvuur?
Pas wanneer een mens in dit oord aangekomen is, evenaart hij de oude meesters.

Alle wereldlijke begeerten zijn afgevallen, en tegelijkertijd is ook de geur van heiligheid volkomen verdwenen. Verblijf niet met welbehagen in een oord waar de Boeddha woont. Ga ras voorbij aan een oord waar de Boeddha niet woont. Wanneer iemand aan geen van deze twee hangen blijft, kan zijn innerlijk nooit doorschouwd worden, ook niet door de Duizendogige. De heiligheid waaraan vogels met bloemen eer bewijzen, is een schande.

Terug naar de Oorsprong

In de Grond en Oorsprong teruggekeerd heeft de herder reeds alles volbracht.
Niets is beter dan direct ter plekke als blind en doof te worden.
In zijn hut zit hij en ziet geen dingen daarbuiten.
Grenzenloos stroomt de rivier, zoals hij stroomt. Rood bloeit de bloem, zoals zij bloeit.

Vanuit het Begin is het rein, en er is geen stof. Daar schouwt iemand de afwisselende op- en neergang van de zijnden en woont zelf in de samengebalde stilte van het niet-doen. Hij laat zich niet voor de gek houden door de vergankelijke drogbeelden van de wereld en hij heeft geen inoefening meer nodig. Blauw stromen de rivieren, groen strekken zich de bergen uit. Hij zit bij zichzelf en schouwt de verandering van alle dingen.

Naar de markt met weldoende handen

Met ontblote borst en op blote voeten komt hij naar de markt.
Het gezicht met aarde besmeurd, het hoofd helemaal met as bestrooid.
Zijn wangen onder de tranen van het machtige lachen.
Zonder zich in te spannen voor geheimen en wonderen, brengt hij plotsklaps de dorre bomen tot bloei.

De rijsthouten poort is stevig gesloten, en zelfs de meest wijze heilige kan hem niet zien. Hij heeft zijn opgelichte wezen reeds diep begraven en veroorlooft het zich van de gebaande wegen van de eerbiedwaardige oude wijzen af te wijken. Nu eens komt hij met een uitgeholde pompoen de markt op, dan weer keert hij met een staf in zijn hut terug. Wanneer hij daar zin in heeft bezoekt hij de wijnhuizen en viskramen, om de dronken mensen tot zichzelf te laten ontwaken.

Links:

Comments are closed.